
 |
 |
|
De Kus
'Mensen zijn kussers, daar wil ik geen doekjes om winden. Net zoals kathedralen bouwen, avonturenromans schrijven, turnen in open lucht, schermen en
camembert maken, is kusjes geven een uitgesproken menselijke activiteit.' Dat schreef in 1826 de Parijse bioloog Florian Dragou
in zijn standaardwerk 'Bisou Bijou'. Zelfs naar 19e eeuwse Franse normen was Dragou een wuft figuur, sommigen zeggen een soort Bo
Coolsaet avant-la-lettre.
Dragou maakte een wetenschappelijk aandoende lijst van soorten kussen en stelde ook expliciet dat hij zijn geschriften als handleiding zag voor
kussers van alle leeftijden en standen. Na een voorwoord waarin 403 dames met een persoonlijk vers bedankt worden voor hun bijstand
en een filosofisch exposé over het hoe en waarom van de werpkus, belanden we bij wat Florian Dragou 'het echte werk' ('Le vrai travail') noemt.
'Om te beginnen moeten we voor een goede basis zorgen', zo schrijft Dragou, 'en dat doen we met de zogenaamde kuskus, dat is de simpele kus van
mond op mond. De lippen zijn getuit, de monden gesloten, de handen rusten losjes op de schouders of heupen van de partner. Het geluid tijdens het
kuskussen is dat van kuikentjes die leren piepen. Eens men alle aspecten onder de knie heeft, is het met volle teugen piepen en genieten geblazen.'
'Niet te lang echter, want er moet verder geëvolueerd. De volgende kus noemen we de echokus. Geopende monden worden schrijlings op elkaar
geplaatst terwijl de tongen bewegingsloos op hun plaats blijven. Op die manier vormen we een natuurlijke klankkast, en die gaan we dan ook vullen
met muziek. Er worden vooraf een voorzanger en een koor aangeduid. De voorzanger zingt dan bijvoorbeeld 'Hee Hoo', en het koor herhaalt 'Hee Hoo'.
Andere mogelijke refreinen zijn: 'Aiaiaioe!' en ook 'ijle ijle ijle'.'
'En tot slot belanden we bij de kus van de waarheid: de kus met open mond en bewegende tongen. De tongen beschrijven bij voorkeur de baan
van over elkaar schuivende parallellogrammen. Het kan de eerste keren nuttig zijn om tijdens de kus met open mond en bewegende tongen
daadwerkelijk het woord 'parallellogram' te zeggen. Vanwege de mondstand zal dat klinken als 'arallellogra', maar dat is niet erg. Het is
bovenal van tel dat men met de volle aandacht bij de zaak blijft, en niet gaat wegdromen over bijvoorbeeld heldendom als musketier of over
Florentijnse zakdoekjes. Wie de parallellogram helemaal onder de knie heeft, mag zich daarna ook wagen aan andere geometrische figuren
zoals de zeshoek, de cilinder en de kegel. Geoefende kussers mogen eventueel ook zachte woordjes mompelen tijdens het kussen met open
mond en bewegende tongen. Maar daarover meer in mijn volgend boek.'
Jammer genoeg heeft Florian Dragou zijn grote onderzoek naar het gebruik van zachte woordjes nooit kunnen voeren. Nog voor hij aan het
inrichten van de proefopstelling toekwam, is hij per ongeluk omgekomen bij een duel tussen vier vrouwen die alle vier als
wetenschappelijke assistent vermeld stonden in zijn geschriften.
|
|